Economisch Partnerschapsakkoord (EPA)
Oud-koloniën van Europese landen hadden jarenlang een streepje voor bij de toegang tot de Europese markt, volgens de Conventie van Lomé. Toen de Wereldhandelsorganisatie dit verbood, kwam in 2000 de Cotonou-overeenkomst tot stand tussen de EU en de 79 voormalige koloniën, de zogenaamde ACS-landen. Zij zijn nu in zeven regio’s verdeeld. Met elke regio wil de EU een nieuw vrijhandelsakkoord afsluiten, Economisch Partnerschapsakkoord geheten.
De EPA-onderhandelingen begonnen in 2002, maar negen jaar later is slechts met één regio een akkoord bereikt (CARIFORUM voor het Caraïbisch gebied). Als noodverband zijn met een aantal landen iEPA's gesloten. Struikelblok is dat de EU vooral inzet op het wederkeriger maken van de handelsvoordelen. Brussel wil dat de ACS-landen ook hun markten openstellen voor producten en diensten uit de EU. Ook willen de Brusselse onderhandelaars via de EPA's de toegang tot grondstoffen voor de EU veiligstellen. De EU denkt zo vooral aan het eigenbelang; de belangen van de ACS-landen vallen daar niet mee samen.
Binnen de Wereldhandelsorganisatie is vastgelegd dat ontwikkelingslanden niet verplicht zijn tot volledige vrijhandel. Zij mogen hun markten gedeeltelijk afschermen, tijdelijk, zodat ze eerst kunnen werken aan het opbouwen van sterke bedrijven die de internationale concurrentie kunnen doorstaan. En daar zit het probleem met de EPA's. De ACS-ontwikkelingslanden komen daardoor juist in een vrijhandelszone terecht met de EU en kunnen de binnenlandse bedrijvigheid niet langer beschermen. In 2011 staat de EU voor de opgave hoe met de EPA-onderhandelingen door te gaan.




