Europese bemoeizucht
De wetgeving van de Europese Unie is teveel gericht op het gelijkschakelen van nationale wetten om het bedrijfsleven van dienst te zijn. Dat moet anders. Over de wijze waarop diensten zoals openbaar vervoer worden georganiseerd kunnen landen, provincies of gemeenten zelf wel beslissen. Zij moeten ook de vrijheid krijgen om Europese regels aan te scherpen wanneer het welzijn van mens, dier en natuur in het geding is.
![]() |
Dit artikel is onderdeel van het dossier Democratisch bestuur in Europa |
| Dossierhouder: Judith Sargentini |
Europese regels verplichtten provincies en gemeenten om het bus- en tramvervoer aan te besteden. Verschillende bedrijven concurreren om de vervoerscontracten. (Alleen de vier grote steden in Nederland zijn, mede dankzij de inzet van GroenLinks het Europees Parlement, vrijgesteld van de aanbestedingsplicht.) Deze liberalisering heeft lang niet overal tot beter openbaar vervoer geleid.
Subsidiariteit
GroenLinks vindt dat de EU niet hoeft uit te maken hoe het openbaar vervoer in Nederland wordt georganiseerd. Dat is in strijd met het beginsel van subsidiariteit: Brussel mag alleen grensoverschrijdende problemen aanpakken die niet op een lager bestuursniveau kunnen worden opgelost. De belangrijkste keuzes op gebieden als zorg en onderwijs, volkshuisvesting en ruimtelijke ordening, media en cultuur, openbaar vervoer en toerisme moeten op nationaal, provinciaal of lokaal niveau worden gemaakt.
Daarom moeten provincies weer de vrijheid krijgen om een streekvervoersbedrijf op te richten, als zij het openbaar vervoer liever in eigen hand houden. De EU mag de liberalisering van dit soort publieke voorzieningen niet langer dwingend opleggen. Dat wil niet zeggen dat de overheid altijd beter presteert dan de markt. Maar nationale regeringen en lagere overheden kunnen de keuze tussen overheid en markt best zelf maken. Die keuzevrijheid wordt beter beschermd door het Verdrag van Lissabon.
Meer ruimte voor koplopers
Roetfilters voor nieuwe dieselauto’s zijn nog steeds niet verplicht, omdat de Europese Commissie ons land in 2006 verbood om vooruit te lopen op de rest van Europa. Dat besluit beviel de autofabrikanten, maar het was slecht voor de bewoners van drukke straten met vieze lucht. Ook de vernieuwing in de auto-industrie werd erdoor afgeremd. Scherpe eisen aan de milieuvriendelijkheid van producten lokken immers innovaties uit. Bedrijven die groene technologie maken kunnen dan de markt veroveren en hun ontwikkelkosten terugverdienen.
Europese regels voor milieu, dierenwelzijn en de bescherming van werknemers en consumenten zijn nodig, maar afzonderlijke landen moeten verder kunnen gaan. In het dichtbevolkte Nederland leiden vieze auto's immers tot meer gezondheidsschade dan in het dunbevolkte Finland. Daarom wil GroenLinks meer ruimte voor koplopers.





