Vrijzinnig links in Europa

Vrijzinnig links in Europa

Vrijzinnigheid is de tegenstrever van dogmatiek. Het begrip duidt op een onafhankelijke geest, die afstand neemt tot het christendom of andere vastomlijnde bakens. Vrijzinnigheid biedt geen blauwdruk van de weg naar een ideale wereld, maar bepleit een onbevangen houding om problemen op te lossen en bevordert dat vrije burgers daaraan een actieve bijdrage leveren. Dat spreekt mij aan omdat ik vind dat in de politieke arena te weinig buiten de gebaande paden wordt gedroomd en omdat ik streef naar een samenleving die verschillen tussen mensen respecteert en ruimte biedt voor excentriciteit. In een vrijzinnige samenleving staan het vrije woord en de menselijke waardigheid centraal. Daartoe moeten niet alleen politieke en burgerrechten worden gerespecteerd, maar ook de sociaal-economische mensenrechten.

Negatieve en positieve vrijheid

In een vrije samenleving zijn burgers gevrijwaard van onderdrukking door medeburgers en door de overheid (negatief vrijheidsbeginsel). De klassieke grondrechten, zoals vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, worden geëerbiedigd. Op die rechten kan alleen inbreuk worden gemaakt als dat proportioneel, noodzakelijk en effectief is, en mits een onafhankelijke rechter daarover kan oordelen. Maar burgers moeten ook in staat gesteld worden om hun leven vrij in te vullen, in wisselwerking met anderen. Voedsel, huisvesting, onderwijs, werk en een voldoende levensstandaard zijn daarvoor onontbeerlijk. Daar ligt een belangrijke taak voor de overheid (positief vrijheidsbeginsel). Zij moet haar bevoegdheid om het recht op eigendom te reguleren aanwenden om – onder meer door belastingheffing – aan echte vrijheid voor iedereen te werken.

Ons huidige economisch bestel geeft sommigen veel kansen om hun leven op grond van vrije keuzes in te richten, en anderen weinig. De vrije markt leidt niet vanzelf tot een eerlijke verdeling van welvaart en welzijn. Daartoe moet de markt van overheidswege gecorrigeerd worden, zowel nationaal als internationaal. Dat is ook nodig om het gebruik van de natuurlijke hulpbronnen van de aarde eerlijker te verdelen. Vooralsnog geldt: wie het eerst komt, die het eerst maalt. Rijke landen en wereldbewoners verstoken in snel tempo de voorraad fossiele brandstoffen die de aarde in miljarden jaren heeft opgebouwd, ten koste van het klimaat. De armen, die de minste verantwoordelijkheid dragen voor de klimaatcrisis, worden het hardst geconfronteerd met de gevolgen, van misoogsten tot overstromingen. Klimaatverandering en de uitputting van grondstoffen leggen ook een zware hypotheek op de mogelijkheden van toekomstige generaties om aan hun eigen leven vorm te geven.

Schoorvoetend komt nationaal en grensoverschrijdend beleid tot stand om aan milieuverbruik een prijskaartje te hangen. Maar van een effectieve aanpak en een eerlijk verdelingsmechanisme is nog geen sprake. Daartoe zou bijvoorbeeld aan elke wereldburger een gelijke milieugebruiksruimte kunnen worden toegekend die overeenstemt met de draagkracht van de aarde, een gebruiksrecht dat zij of hij zelf kan benutten of kan verhandelen. Zo’n verdeling zou veel meer kansen scheppen voor de armen.

Een vrije samenleving draait niet alleen om burgerlijke vrijheden, redelijkheid en culturele openheid, maar ook om een eerlijke verdeling van kennis, kansen en milieugebruiksruimte. Als iemand vrij is, maar te arm om haar of zijn leven een zelf gekozen invulling te geven, is die vrijheid weinig waard. Dan heeft iemand hoogstens de vrijheid tot spreken, maar niet de vrijheid tot handelen. Om deze reden voel ik mij niet helemaal thuis bij het vaak lichtzinnig gebruikte etiket “vrijzinnig”, maar meer bij “vrijzinnig links”. (2)

Utopie

De samenleving is niet maakbaar, maar wel stuurbaar. Op welke schaal die sturing plaatsvindt is in de loop der jaren veranderd. Door globalisering verliezen staatsgrenzen en nationale soevereiniteit aan belang. Het is schier onmogelijk om op nationaal niveau sociale en ecologische grenzen te stellen aan de ontketende wereldmarkt. Regionale samenwerkingsverbanden zoals de Europese Unie kunnen dat beter. Een sterk Europa kan een voorbeeld zijn van vreedzame integratie en een aanjager van mondiaal bestuur. Een civiele macht die de mensenrechten hoog in het vaandel heeft staan en de naleving ervan ook buiten haar grenzen bevordert. Dat maakt Europa tot een noodzakelijke utopie.

In dit artikel wil ik stilstaan bij Europa en vrijzinnigheid. Is Europa als project een voortvloeisel van ondogmatisch denken? En staat haar inhoudelijke politiek voor vrijheid, emancipatie en humaniteit? Kortom, is Europa vrijzinnig?

Ongebaande paden

Zestig jaar geleden is de basis gelegd voor de Europese Unie. Na drie grote Europese oorlogen slaagden mensen als Robert Schuman en Jean Monnet erin om bestaande natiestaten op cruciale beleidsterreinen met elkaar te vervlechten. Het delen van soevereiniteit was ongekend. Niet de macht van lidstaten, maar het gezamenlijk overeengekomen recht werd leidend. De grondleggers van de Europese integratie stippelden een revolutionaire route naar de toekomst uit, zonder zich evenwel uit te laten over het einddoel van de Europese integratie. Naar de mening van de betrokken burgers durfden zij niet te vragen. Schuman en Monnet waren bang dat hun blauwdruk voor Europese verzoening stuk zou slaan op de klippen van het onderlinge wantrouwen tussen voormalige vijanden. De Europese samenwerking was een verlicht autoritair project.

De steelse aanpak heeft lang gewerkt. Maar naarmate burgers mondiger werden en de Europese instellingen steeds meer taken kregen, werd zij onhoudbaar. Te lang is de Europese integratie een eliteproject gebleven. Daardoor kreeg de EU zelf met groeiend wantrouwen te kampen. Juist een project dat nog onvoldoende geworteld is in de hoofden en harten van mensen dient permanent besproken te worden.

De Europese Unie is een vreemd project geworden. Het hinkt op twee gedachten. Enerzijds is het een samenwerkingsverband tussen lidstaten, een soort statenbond. De lidstaten besluiten gezamenlijk welke bevoegdheden aan ‘Brussel’ toevallen en kunnen deze ook weer intrekken. Anderzijds heeft de EU federale trekken, als verbond van burgers die gezamenlijk een grensoverschrijdend parlement kiezen en hun recht kunnen halen bij een bovennationale rechter. Er wordt vaak gesteld dat deze schimmige situatie onhoudbaar is. Dat we moeten kiezen tussen de twee theoretische modellen, intergouvernementeel en federaal. Ik ben het daar niet mee eens. De EU moet zijn eigen weg vinden, tussen deze modellen in, en een legitieme setting creëren waarin problemen op een praktische en democratische manier kunnen worden opgelost. Het is een inderdaad een theoretisch rommeltje. Maar dat kan niet anders. Europa is nu eenmaal het resultaat van compromissen tussen lidstaten en politieke stromingen met uiteenlopende ideeën over soevereiniteit en democratie. Compromissen die soms slecht zijn, maar soms ook gedurfde stappen vooruit bevatten.

Zoals dogmatisme staat tot vrijzinnigheid, zo verhoudt nationalisme zich tot Europese integratie: geen goede combinatie. Om “al wat als nationaal beschouwd wordt te bevorderen, gepaard met een zekere afkeer voor het vreemde” (definitie volgens Van Dale) is onverzoenlijk met het doel om de handen ineen te slaan en elkaar recht te doen. Ironisch genoeg kan de EU niet alleen ondermijnd worden door nationalisme, maar draagt zij daar zelf ook aan bij. Door een eenzijdige nadruk op vrijhandel, liberalisering en concurrentie groeit de angst voor Europa bij burgers met een slechte economische uitgangspositie. Voor hen vertegenwoordigen de interne markt en het vrije werknemersverkeer geen kansen, maar een bedreiging voor hun bestaanszekerheid. Deze angst is een voedingsbodem voor populisten en leidt tot toenemende polarisatie.

Om de legitimiteit van de EU te versterken zal de menselijke maat centraler moeten komen te staan. Dat vergt andere prioriteiten, maar ook meer invloed van burgers en betere informatievoorziening. Het vergt ook politici die verantwoordelijkheid nemen. Je moet ze met een zaklampje zoeken, de politici die eerlijk uitkomen voor de reikwijdte en complexiteit van besluiten. Veel van de wijzigingen die in de Europese Grondwet zijn doorgevoerd, na het verwerpen van de oorspronkelijke tekst door de Franse en Nederlandse kiezers, zijn erop gericht te verhullen dat de EU statelijke trekken heeft. Zo bevat het nieuwe Verdrag van Lissabon geen vermelding van de Europese vlag en hymne. Symboolpolitiek, die de illusie voedt dat de EU een vrijblijvend samenwerkingsverband is. Ook het schrappen van het Grondwetsartikel dat stelde dat Europees recht boven nationaal recht gaat zet burgers op het verkeerde been. Zij zaait het zaad voor nog meer euroscepsis. Want natuurlijk moeten lidstaten Europese regels uitvoeren. Het zou wat zijn als ze die zomaar naast zich neer konden leggen! De kracht van de EU is juist dat de regels die we samen vaststellen ook gehandhaafd worden. De rol van de Europese Commissie en het Europees Hof van Justitie als hoeders van het gezamenlijke recht is wat de EU maakt tot een mondiaal uniek project van recht boven macht.

Politici moeten eerlijker zijn over Europa. De EU zelf zal betere prestaties moeten leveren. Maar onmisbaar zijn ook de mensen die het Europese project met passie verdedigen. Dat gebeurt nu onvoldoende. Een onderwerp als de uitbreiding van de EU wordt besproken in termen van economische voor- en nadelen. Wanneer politici uit kandidaat-lidstaten niet over ‘uitbreiding’, maar over ‘hereniging’ van Europa spreken, wordt dat in Den Haag als emotionele chantage opgevat. Terwijl de term ‘hereniging’ juist de kans biedt om te onderstrepen welke vooruitgang we in Europa geboekt hebben nu er sprake is van vrijwillige aaneensluiting van landen in plaats van afgedwongen scheiding.

Het project Europa ontwikkelt zich op ondogmatisch wijze. Dat sluit aan bij de combinatie van politiek en fantasie die veel vrijzinnigen bepleiten. Daarentegen belemmeren de nadruk op het marktmechanisme en de nationaal georiënteerde retoriek en denkwijze van veel politici de vorming van een sterk Europa. Juist een project dat buiten bestaande kaders treedt vraagt om evenwichtige besluitvorming en maximale verantwoording.

Emancipatie

Ik kom ze nog wel eens tegen, mensen die de Europese integratie als een roomse samenzwering zien. Een angstbeeld uit de tijd dat vooral katholieke politici de vaandeldragers van het Europese project waren. Een vergelijkbare angst kwam aan de oppervlakte ten tijde van het referendum over de Europese Grondwet in 2005. Ik werd vaak geconfronteerd met kiezers die bang waren dat het conservatieve Europa nationale verworvenheden als het recht op abortus en het homohuwelijk zou terugdraaien. Het zijn eerder de tegenstanders van abortus die zich beklemd moeten voelen in de huidige EU, waar de wetten van de meeste lidstaten in legale zwangerschapsafbreking voorzien. Slechts een drietal landen volgt de lijn van het Vaticaan. In steeds meer landen kunnen paren van gelijk geslacht een huwelijk of een geregistreerd partnerschap afsluiten. Zelfs het eens zo katholieke Spanje kent nu het homohuwelijk.

De EU is niet bevoegd inzake abortus of het homohuwelijk. Maar bij ‘ethische’ kwesties waarvoor zij wel bevoegd is delven de conservatieven vaak het onderspit. Roomse samenzweerders hebben niet kunnen voorkomen dat discriminatie van vrouwen en homo’s op de arbeidsmarkt bij Europese wet verboden is. Daarmee geeft de EU ruggensteun aan emancipatiebewegingen in de meer conservatieve landen.

Waar de vrijheid van het individu botst op traditionele rolpatronen en religieuze taboes, maakt de EU, via wetgeving en jurisprudentie, vaak een progressieve keuze. In mondiaal perspectief vormt de EU met haar antidiscriminatiebeleid een baken van vrijzinnigheid en tolerantie.

Rechtsstaat

De individuele vrijheid is in veel minder goede handen bij de EU wanneer zij zich bemoeit met de strijd tegen misdaad en terrorisme. De besluitvormingsprocedure zet de voorstanders van een repressieve aanpak op voorsprong. De uitvoerende macht, vertegenwoordigd door de verzamelde ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken, maakt de wetten. Het Europees Parlement, dat meer waarde hecht aan rechtsstatelijke waarborgen, staat meestal aan de zijlijn. Nationale parlementen hebben weinig zicht op de besluitvorming, die achter gesloten deuren plaatsvindt. De toegang van burgers tot het Hof van Justitie is beperkt. Zo is de afgelopen jaren een reeks wetten aangenomen over het verzamelen van persoonlijke gegevens, van telecomdata tot vliegtuigpassagiersgegevens, die de privacy van het individu ondermijnen. Over de effectiviteit van deze maatregelen – nochtans één van de voorwaarden voor het maken van inbreuk op grondrechten – maken de Europese ministers zich niet druk.

Tegelijk vormt de EU een buffer tegen nog driestere nationale plannen om mensenrechten buiten werking te stellen. Een lidstaat die de doodstraf herinvoert kan rekenen op schorsing als EU-lid. Dat weerhield het Poolse parlement er in 2004 op het nippertje van om voor de doodstraf te stemmen.

Hoezeer de EU ook een project van ongebaande paden is, op het terrein van justitie- en politiesamenwerking doen vrijzinnigen er goed aan om haar het beproefde recept van de rechtsstaat en de noodzaak van democratische check and balances voor te houden. Als het Verdrag van Lissabon in werking treedt, zetten we forse stappen vooruit. Het bestaande Grondrechtenhandvest van de EU wordt dan bindend, het Europarlement promoveert ook op dit terrein tot medewetgever, de openbaarheid wordt groter en de toegang tot het Hof vergemakkelijkt. Naast deze ‘federale’ innovaties biedt het verdrag lidstaten ook de meer ‘intergouvernementele’ optie om zich aan Europese maatregelen te onttrekken wanneer zij deze in strijd achten met de nationale rechtsstaat.

Grenzen

Toen een meerderheid van het Europees Parlement vorig jaar de zogenaamde terugkeerrichtlijn goedkeurde, ontstak in Latijns-Amerika een storm van protest. Staatshoofden spraken van historisch onrecht: terwijl Latijns-Amerika eeuwenlang gastvrij is geweest voor Europese migranten, worden Latijns-Amerikaanse migranten door Europa als misdadigers behandeld. Een ideaal raakte bekrast: dat van een vreedzame, open wereld.

Kort daarvoor was de Zuid-Amerikaanse Unie opgericht. Unasur wil het voorbeeld van de EU volgen. Het oprichtingsverdrag voorziet in een gemeenschappelijk parlement, een eenheidsmunt en een gedeeld paspoort. Eerder richtten Afrikaanse landen de Afrikaanse Unie op. Deze initiatieven bewijzen dat het Europese model van supranationale samenwerking, van het vervangen van macht door recht in de onderlinge betrekkingen, een grote aantrekkingskracht heeft.

Deze regionale integratie kan de bouwstenen leveren voor een vreedzamere wereldorde, een effectievere aanpak van grensoverschrijdende problemen en een vrijer personenverkeer. Maar dan moeten de regionale blokken ook in hun betrekkingen met de buitenwereld streven naar overleg, rechtsstatelijkheid en openheid. Veel van het Europese beleid is daarop gericht, maar in haar migratiebeleid laat de EU grove steken vallen.

De terugkeerrichtlijn behandelt illegale migranten inderdaad als misdadigers. Weliswaar is het aan Europarlement te danken dat de richtlijn een maximumtermijn stelt aan vreemdelingendetentie, maar die termijn is veel te lang. Uitzetting is soms onvermijdelijk, opsluiting kan daartoe onontkoombaar zijn, maar achttien maanden is onmenselijk en onnodig.

Ondertussen slagen de Europese ministers er maar niet in om af te spreken wie er wél binnen mag komen. De discussie over legale vormen van arbeidsmigratie, waar zowel de Europese arbeidsmarkt als de herkomstlanden en de migranten zelf profijt van hebben, zit vast. Zo is het bestrijden van illegale migratie onbegonnen werk. In een wereld met enorme welvaartsverschillen valt migratie niet te stoppen, hoogstens te reguleren. Daar ligt de uitdaging voor vrijzinnige politiek, daar kan Europa een voorbeeld stellen, daar begint het wereldburgerschap.

Sociale politiek

De uitdaging wordt nog groter als we bedenken dat de publieke steun voor het Europese project nu al te lijden heeft onder de spanningen rond immigratie en integratie. Onderzoekers achten het aannemelijk dat het ‘minderhedenvraagstuk’ een verklarende factor is voor de afkeer van Europese eenwording onder Nederlandse kiezers. (3)

De komst van werknemers uit de nieuwe EU-landen verbindt het multiculturele onbehagen met de euroscepsis. Er is te weinig gedaan om deze vorm van arbeidsmigratie in goede banen te leiden. Het recht om in de hele EU werk te zoeken is een Europees grondrecht waaraan slechts bij uiterste noodzaak getornd mag worden. De economie van de ‘oude’ EU-landen heeft veel baat bij de extra arbeidskrachten die vaak moeilijk vervulbare vacatures vervullen. Maar voor een individuele werknemer kunnen de nieuwkomers wel degelijk concurrenten vormen. Te meer daar zowel de EU als de nationale overheden steken laten vallen bij het waarborgen van gelijk loon voor gelijk werk. Vrijzinnige politici met een liberale kijk op de economie sluiten nogal eens de ogen voor het feit dat de nadelen van de internationalisering onevenredig vaak neerslaan aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Er is een steviger sociaal en werkgelegenheidsbeleid nodig om het issue ‘vrij werknemersverkeer’, laat staan het thema ‘arbeidsmigratie van buiten de EU’, terug te winnen van de populisten van rechts en links. Ook de vergrijzing, die tot een daling van de beroepsbevolking leidt, kan een evenwichtiger debat bevorderen. Een hardere aanpak van werkgevers die illegalen tewerkstellen eveneens, want de uitbuiting van illegalen versluiert het zicht op de behoefte aan legale arbeidsmigranten.

De mogelijkheden van de EU om de sociaal-economische mensenrechten van haar inwoners te garanderen zijn evenwel beperkt. Haar bevoegdheden op sociaal vlak reiken niet ver. Veel lidstaten bewaken angstvallig hun zeggenschap over sociaal beleid. Een Europese verzorgingsstaat ligt niet in het verschiet. Het gezamenlijke streven naar hogere arbeidsparticipatie, waarop de lidstaten elkaar de maat nemen, biedt kansen. Zij willen eenieder die niet op eigen kracht werk kan vinden, van een opleiding, stage of (gesubsidieerde) baan te voorzien. Maar waarom zou dat alleen een plicht zijn die de overheid naar believen aan werklozen kan opleggen? Waarom geen recht dat elke werkzoekende kan opeisen? De Europese verankering van het recht op werk past goed in een vrijzinnig links project dat onderkent dat de huidige verzorgingsstaat mensen nog te vaak afhankelijk maakt in plaats van emancipeert, en dat arbeid – mits zinvol en fatsoenlijk betaald – bijdraagt aan ontplooiing.

De mensenrechten, klassieke en sociaal-economische, moeten ook een ijkpunt worden voor het externe optreden van de EU. Binnen het ontwikkelingsbeleid hebben zij (in ieder geval in woord) reeds een vertaling gevonden in de Millenniumdoelstellingen van de VN, die de halvering van de armoede in 2015 beogen, onder meer door onderwijs en de empowerment van vrouwen. Binnen het handelsbeleid spelen zij nog een ondergeschikte rol. Onderwerpen als kinderarbeid komen niet op de agenda van de Wereldhandelsorganisatie, omdat ook de EU als het erop aan komt voorrang geeft aan het bevechten van markttoegang boven eerlijke handel.

Het klimaatbeleid tenslotte, het vlaggenschip van de EU, staat of valt met de verwezenlijking van sociaal-economische mensenrechten. Voor een mondiale aanpak van de klimaatcrisis moeten ontwikkelingslanden perspectief krijgen op duurzame welvaart. Zolang het bestaan van miljarden wereldburgers een dagelijkse strijd is om te overleven, kunnen we niet verwachten dat zij zich bekommeren om dreigende klimaatrampen. Alleen vrije burgers, bevrijd van onderdrukking en armoede, kunnen de wilskracht, samenwerking en creativiteit leveren die nodig is om de aarde leefbaar te houden.

Kathalijne Buitenweg is lid van het Europees Parlement voor GroenLinks.

Dit artikel is verschenen in de artikelenbundel Open en onbevangen – De noodzaak van politieke vrijzinnigheid (Uitgeverij Balans, Amsterdam, april 2009, ISBN 9789460030154)

Noten

1) Rob Buitenweg, Human rights, human plights in a global village, 2008

2) Femke Halsema, Vrijzinnig links, in: 'De Helling', nr. 2, 2004

3) Kees Aarts en Hans Smeets, ‘Europese integratie en Nederlandse verkiezingen’, in: Het Nationaal Kiezersonderzoek 2006, CBS, 2008